Cees de Boer

Cees de Boer (1955) studeerde Nederlands, Algemene Literatuurwetenschap en Filosofie. In 1995 promoveerde hij op de collageromans van Max Ernst. Sinds 1983 werkt hij als zelfstandig publicist en curator van tentoonstellingen en publiceerde monografieën en essays. In 2015 was hij curator (samen met Colin Huizing) van het Nederlands paviljoen op de Biënnale van Venetië, van de presentatie van het werk van herman de vries ‘to be all ways to be’.


Seen by Hand

De tekeningen en grafische werken van Alexandra Roozen zijn onderdelen van een langlopend experiment waarin zij de handeling van het tekenen vervreemdt door deze activiteit mechanisch onder druk te zetten. Zij ontwikkelde bijvoorbeeld een tekenmachine die zelfstandig opdrachten uitvoert; zij hanteerde een boormachine, als onnatuurlijk verlengstuk van haar arm en hand, om te tekenen of sporen in een etsplaat achter te laten. Een belangrijk aspect van een dergelijke vervreemding is, dat de kunstenaar niet alleen een handeling uitvoert maar voor een belangrijk deel toezichthouder op het productieproces wordt, omdat het toeval (in dit geval de eigengereidheid van de teken– of boormachine) zijn eigen bijdrage aan het proces mag leveren. Toch is de hand van Roozen nooit helemaal afwezig; de dynamiek tussen hand en machine is wat het onderzoek van Roozen bepaalt, en het blijft dan ook een onderzoek van wat tekenen is of kan zijn. Elk project, gedefiniëerd door een bepaald instrumentarium, wil een aspect van het tekenen ontdekken en het resultaat is telkens een serie werken die een eigen wereld creëert.

Tekenen is sporen achterlaten – lijnen, punten, krabbels, vlekken; tekenen is ook sporen uitwissen – het wit uit het papier in het beeld terughalen, contouren net niet helemaal uitgummen; tekenen is een spannende dialoog tussen aan- en afwezigheid, tussen uitbeelden en suggereren, een bijzonder evenwicht tussen spontaniteit en beheersing. In Roozens reeks droge naald etsen Ruis/Noise (2009/2010) is elke horizontale lijn gerealiseerd als een onregelmatig spoor van de etsnaald die in een boormachine werd gestoken; in de reeks tekeningen Between (2010/2011) gaat het om sporen van een potlood aangestuurd door een boormachine. Voor heel het onderzoek van Roozen is het concept van het spoor adequaat: welke machine zij ook gebruikt, welke stellage zij ook bouwt om het fysieke proces van het tekenen te kunnen realiseren, het geheel mondt steeds weer uit in een spoor van haar handelingen. Elk spoor, als tekenkunst opgevat, is een vorm van autonome kunst. Hoe technisch ook de weg die Roozen bewandelt om het tekenen als artistieke handeling zelfstandig te maken, het resultaat is vergelijkbaar met een natuurgebeuren: iets wat zich voordoet en aanwezig is in al zijn complexiteit, wetmatigheid, toevalligheid, expressiviteit, beeldendheid. Welke wereld door een groep van werken wordt gecreëerd, is een kwestie van interpretatie die ná het maken ervan aan de orde komt.

Roozens onderzoek zet enkele fundamentele aspecten van de Europese beeldende traditie op het spel. Haar mechanisering van de tekenkunst elimineert juist dat waarvoor de tekenkunst altijd geprezen is als menselijk en in filosofisch opzicht waardevol: de hand die een beeld schept, de hand die hardop denkt, die schrijft en spreekt tegelijkertijd.

Dit klassieke aspect van de tekenkunst heeft een echo in de titel van een recente reeks werken: Seen by Hand. In vergelijking met de hand die hardop denkt, ziet volgens deze titel de hand zelf. De hand is het oog geworden. Het zintuig van het oog zelf wordt dan secundair en krijgt als taak toebedeeld om te interpreteren wat de hand heeft ‘gezien,’ waarbij ‘zien’ bedoeld is als ‘het produceren van zien’. De hand is autonoom geworden en transformeert zijn tastzin in zien. De tekening is dat wat de hand gezien heeft.

Roozens tekeningen zijn in hoge mate concreet van opbouw en ook dit draagt bij aan het fundamentele karakter van haar tekenkunst. Concreet wil zeggen dat de mogelijkheden van structurele en geometrische principes van beeldvorming worden aangewend om tot beelden te komen (zie bijvoorbeeld de eerder genoemde series Noise en Between). Kan de onderlinge verwisseling van oog en hand nog aan de klassieke zintuiglijkheid van het tekenen worden gerelateerd, door de apparaten die Roozen inschakelt, wordt deze zintuiglijkheid vanuit een ongebruikelijk standpunt benaderd. ‘Door mijn hand van een instrument te voorzien, leer ik mijn hand op een andere wijze kennen en ontdek ik aspecten van mijn persoonlijke domein die mij verrassen’ formuleerde Roozen in een gesprek op haar atelier.

Het instrument is in het geval van Seen by Hand een reeks potloden die door een band min of meer op één lijn worden gehouden. Deze band wordt tussen twee planken vastgehouden en in één beweging over het papier getrokken. Beweging, weerstand van het papier, flexibiliteit van de bevestiging binnen de band en andere factoren, produceren het beeld waarin de kleinste nuances van beweging en weerstand zichtbaar worden. Als een aantal potloden uit de lijn valt en vanaf het begin niet meedoet, ontstaat er bijvoorbeeld een relatief lege, witte tekening. De vergelijking met de ‘beelden’ die uit een seismograaf, een hygrometer, een cardiograaf of een hersenscan rollen, lijkt op zijn plaats, maar er is een fundamenteel verschil. De laatste zijn registraties op een strook papier die als zodanig het verloop van de tijd symboliseert. Op het tekenblad van Roozen is het tijdverloop wel aanwezig en kan van links naar rechts of van boven naar beneden worden afgelezen, maar toch gaat het werk niet primair over tijd; beeld, diagnose, randvoorwaarden, registratie schuiven in elkaar. Hoe ver Roozen in het project Seen by Hand ook opschuift in de richting van en raakt aan het concept van de mechanische registratie, haar tekeningen zijn daartoe nooit te reduceren. De curves die naast elkaar liggen hebben elkaar in het tekenproces beïnvloed; elke curve is ook registratie van de (aard)beving die zijn buurman heeft geregistreerd én veroorzaakt.

In een eerdere tekst over haar werk signaleerde ik dat de tekeningen van Roozen verwijzen naar het belang dat het lezen van sporen heeft gehad in de evolutie van de mens: het interpreteren van afdrukken, van indrukken in materie, van krassen op een boomschors of rots, van geknakte grashalmen, enzovoort. Dit lezen van belangrijke sporen maakte de mens tevens bewust van de sporen die hij zelf achterlaat – zie de fameuze handafdrukken of handcontouren die prehistorische rotstekeningen begeleiden.

Zowel de titel als de tekeningen van de serie Seen By Hand doen mij denken aan een meesterwerk van de 20e eeuwse kunst, de reeks Histoire Naturelle (Natuurlijke Historie, 1926) van de Duits-Franse surrealist Max Ernst (1898-1978). Er zijn bepaald sterke parallellen tussen het werk van Roozen en Ernst – ook Ernst ontwikkelde speciale artistieke technieken om een noodzakelijke vorm te vinden voor de concepten die in zijn hoofd speelden. De surrealistische auteurs ontwikkelden de techniek van het automatische schrijven, het zonder rationele controle neerpennen van een stroom van ingevingen om daar dan later de meest vreemd-poëtische fragmenten uit te kiezen. Max Ernst vond hiervoor de beeldende parallellen, vooral in de technieken van collage en montage – bijvoorbeeld het gedachteloos door- of in elkaar schuiven van alledaagse ready made afbeeldingen, totdat ongeziene, onvermoede, onbehoorlijke en onbewuste betekenissen in het beeldmateriaal als vanzelf beginnen te knetteren. Een andere techniek die hij ontwikkelde is de frottage: allerhande materialen en objecten worden onder het tekenpapier gelegd en met loodstift gewreven zodat hun structuren en contouren zich in autonome beelden vertalen. Door al wrijvend het papier steeds te verplaatsen over hetzelfde object of over verschillende objecten, komt een eindbeeld tot stand dat geheimzinnige connecties onderhoudt en associaties oproept met bekende objecten en structuren.

Max Ernst

Tijdens het frotteren ontstaan ook structuren en betekenissen die niet door de kunstenaar gezocht worden: hoe de gedaantes die opdoemen in relatie te zetten met hun samenstellende delen? Het verenpak van een vogel kon als onderlegger boombladeren hebben, de vacht van een paard de structuur van een ruwe steen, de wimpers van een oog visgraten of een onderdeel van een machine. Max Ernst creëerde een natuurlijke historie waarin ongebruikelijke affiniteiten de hoofdrol spelen. Een onnatuur, in de zin van een alternatieve natuur, komt hier naar voren.

Max Ernst vertelt het vinden van zijn frottage-techniek als een moment van inzicht en openbaring. Toen hij een keer in een oude herberg verbleef, trof hij in zijn kamer een houten vloer aan die door veel boenen en schrobben was gesleten en waarin de nerven en structuren van het hout duidelijk zichtbaar waren geworden. Het waren patronen die hem fascineerden en de gedaanten en gezichten die hij in hen kon ontwaren, obsedeerden hem. Hij legde papier op die vloer en door met potlood te wrijven isoleerde hij deze structuren en kwamen er spontaan beelden en voorstellingen te voorschijn. Deze werden door Ernst verzameld in zijn Histoire Naturelle, een reeks tekeningen waarvan afzonderlijke bladen titels dragen als: la mer et la pluie (de zee en de regen), tremblements de terre (aardbevingen), les pampas (de pampa’s), le sphinx dans son écurie (de sphinx in zijn stal).

Deze frottages van Max Ernst zijn Seen by Hand, vooral wanneer hij suggereert dat deze beelden zich vanuit eigen kracht manifesteren en via de bewegende hand het oog van de kunstenaar binnendringen.

Breekt Max Ernst op een ongepaste wijze de figuratie open, Roozen geeft van deze houding het abstracte equivalent; zij is niet uit op een beeldend visioen maar concentreert zich primair op de fysieke handeling om de potloden van de ene naar de andere kant van het papier te krijgen, waardoor haar onderzoek volkomen open blijft en ongezochte resultaten zich kunnen realiseren. De wolken en windvlagen van lijnen en krabbels, de sporen van hand en instrument, zijn vergelijkbaar met de abstracte, soms open en soms dichte weefsels van klanken en geluiden in de composities van Györgi Ligeti, en met het toevallige – want niet in de partituur uitgeschreven – samenspel van instrumenten in de composities van Witold Lutoslawski.

In haar nieuwe reeks tekeningen Seen by Hand plaatst Alexandra Roozen ons als kijkers voor abstracte en in hoge mate toevallige structuren van getekende sporen; zij geeft niet veel meer dan een technische toelichting hoe de potloden aan elkaar verbonden zijn en hoe ze een manier heeft gevonden om ze tegelijkertijd over het papier te bewegen. Geen mythische of psychologische verhalen, wel een context van begrippen als experiment, tekenmachine, laboratorium, onderzoek. Haar werk is in het tekenen een parallel van wat sinds de jaren 60 heet de fundamentele schilderkunst,* mede omdat het van de kijker een verscherpte aandacht vraagt voor wat ik de autonome en welhaast materiële details van het resultaat zou willen noemen.

Laten we de neiging onderdrukken om de sporen in haar tekeningen te interpreteren als de sporen-van-iets-anders, en proberen we deze te zien als gebeurtenissen die als zichzelf bekeken willen worden. In dat geval komen we ook als kijker heel dicht bij wat het voor Alexandra Roozen betekent om, door middel van het stellen van fundamentele vragen, ruimte te geven aan onverwachte en misschien wel ongezochte antwoorden. Onze vragen zijn immers vaak niet meer dan de formulering van een vermoeden; des te belangrijker is het goed te luisteren en te kijken naar de antwoorden die wij in de schoot geworpen krijgen.


* Alexandra Roozen volgde de afdeling schilderkunst aan de kunstacademie St. Joost te Breda. Zij studeerde af met een fundamenteel materiaalonderzoek; zo schraapte zij de verf van haar schilderijen en plaatste deze in potten voor het doek; ook haalde zij het schilderij van het spieraam en maakte daarvan een soort draagzak voor de houten latten van het gedemonteerde raam.

Supported by Studio Plaatsmaken Arnhem and Centre for Visual Arts Rotterdam.

Related

Seen by HandDrawing seriesSeen by HandC-PointC-PointC-PointdisturbdisturbData ia natureCBK O&Odisturbdisturb